Havo 5 & vwo 6

Examentips Frans

Praktische strategieën, stappenplannen per vraagtype en signaalwoorden voor je examen Frans.

Tijdsbeheer tijdens het examen

Je hebt 2,5 uur · 10 tot 12 teksten · Laat geen vragen leeg, maar sla moeilijke vragen tijdelijk over.

1
5 minuten

Oriëntatie : scan alle teksten

Lees titel, ondertitel en de eerste zin van elke tekst. Doel: de grote lijn van het examen begrijpen, niet de details. Schrijf het onderwerp in één woord bij elke tekst (optioneel).

2
Gemiddeld ~10 min per tekst oftewel 3 min per vraagpunt

Per tekst : lees vraag, zoek, beantwoord

Werkwijze: lees de vraag → zoek de bewijszin in de tekst → beantwoord → volgende. Pas je tempo aan aan het aantal vragen. Blijf niet te lang vastzitten: als je na enkele minuten geen vooruitgang maakt, sla de vraag tijdelijk over.

3
10 minuten

Controle : moeilijke vragen en antwoordblad

Bewaar 10 minuten aan het einde voor overgeslagen vragen en het controleren van je antwoordblad. Let op: elke letter op de juiste plek!

N-term: Je hoeft absoluut niet alles goed te hebben voor een voldoende - de grens ligt soms lager dan leerlingen denken. Laat je dus niet gek maken. Ga rustig door.

Woordenschat & woordenboek

Je hoeft NIET alle woorden te kennen, maar je moet slim omgaan met wat je weet.

Strategie 1

Woordenboek

Een FR-NL woordenboek is toegestaan, maar gebruik het alleen voor sleutelwoorden. Het kost veel tijd.

Strategie 2 · sneller!

Context

Leid de betekenis af uit de zin. Wat staat er vóór en ná? Vaak snap je genoeg zonder het woordenboek op te zoeken.

Strategie 3 · sneller!

Woordvorming

Bekijk de stam en voorvoegsels: in-, dé-, re-, -tion. Van onbekend naar herkend.

Strategie 4

Wereldkennis

Klimaat, globalisering, toerisme, sociale media. Examens gaan over bekende thema's. Gebruik je algemene kennis!

Signaalwoorden per categorie: de functie is bijna belangrijker dan de betekenis!

Opsomming & Voorbeeld

ainsi par exemple notamment en effet c'est-à-dire comme

Zin daarna = voorbeeld of verduidelijking

Tegenstelling

mais pourtant cependant toutefois or en revanche néanmoins

Er komt een tegenstelling of nuancering

Conclusie & Samenvatting

bref donc ainsi en somme finalement c'est pourquoi

Er volgt een conclusie of samenvatting

Oorzaak & Gevolg

car parce que puisque grâce à à cause de et alors

Er volgt een oorzaak of gevolg

Oefen signaalwoorden op Grammalab.nl → Taalvaardigheid → Signaalwoorden. Doe dit per categorie en daarna allemaal door elkaar.

De 5 soorten examenvragen

Per doel geldt een aparte aanpak: herken het type als eerste!

1

Grote Lijn

Wat is de kern van de tekst of alinea?

2

Argumenten

Welke argumenten noemt de auteur?

3

Expert/Deskundige

Wat vindt of beweert de genoemde expert?

4

Voorbeeldvragen

Namen · plaatsen · cijfers · data · anekdote

5

Detailvragen

Specifieke informatie voor de beste leerlingen

Grote Lijn vraag (GL-vraag)

  • Kijk naar titel + ondertitel + plaatje
  • Wat is de centrale boodschap? Laat details weg
  • Antwoord = link tussen titel, plaatje én inhoud alinea
  • Past het antwoord in de grote lijn van de hele tekst?

Expert/deskundige vraag

  • Herken de naam in de vraag: dat is je zoekterm!
  • Zoek in de tekst waar die naam staat
  • Lees het stuk tussen aanhalingstekens bij die naam
  • Antwoord zit bijna altijd vlak daarvoor of daarna

Voorbeeldvraag : herkennen

  • Een voorbeeld bevat altijd: namen, plaatsen, percentages, data of een anekdote
  • Bij voorbeeldverbanden passen vaak woorden zoals ainsi, par exemple of notamment. Kijk naar de functie van de zin
  • Verband vraag → elle l'appuie / elle l'illustre / elle donne des exemples
  • Omgekeerde voorbeeldvraag: vraag je af wat de grote lijn is, niet de details

Argumenten in de tekst

  • Zoek signaalwoorden die argumenten splitsen
  • Schema: argument → mais/pourtant → tegenargument
  • Na een argument staat vaak een voorbeeld (namen, cijfers)
  • Onderscheid argument van voorbeeld: argument = claim, voorbeeld = illustratie

Stappenplan ABCD-vragen

Meerkeuze · ~60% van de punten · Volg elke stap!

1

Oriënteer jezelf : zoek de GL

Lees titel, plaatje en intro van de tekst. Bepaal: over welk onderwerp gaat dit? Dat is je kompas voor alle vragen.

2

Lees de vraag en bepaal: over welke alinea('s)?

Streep in de vraag aan: staat er een alineanummer? Een specifieke zin? Dat zegt je waar je de bewijszin moet zoeken.

3

Is er nuttige inhoud in de vraag zelf?

Soms geeft de vraag al informatie over de tekst. Gebruik dit: het is een gratis hint over wat je moet zoeken.

4

Lees de tekst, markeer, elimineer

Markeer signaalwoorden en dubbele punten. Streep foute antwoorden weg. Let op: antwoorden die iets toevoegen dat nergens in de tekst staat zijn altijd fout.

5

Controleer: kloppen ALLE elementen?

1 element fout = het hele antwoord fout. Past het antwoord ook in de grote lijn van de tekst?

Pindakaasval: Een antwoord dat logisch klinkt maar niet letterlijk in de tekst staat. Dat antwoord is fout! Zoek altijd de bewijszin. Als je die niet kunt aanwijzen, is het antwoord waarschijnlijk fout.

Hoe vaak staat het antwoord in de tekst? Eén keer is NOOIT genoeg. Het juiste antwoord past altijd duidelijk bij de tekst en wordt meestal ondersteund door meerdere elementen.

Lees niet altijd meteen de hele tekst aandachtig. Bij veel examens werkt het sneller om eerst de vragen te bekijken.

Stappenplan beweringsvragen

Genummerde beweringen (1, 2, 3...) → juist of onjuist

1

Herken het vraagtype

Genummerde antwoorden (1, 2, 3, 4...) → dit is altijd een beweringenvraag. Elke bewering behandel je apart.

2

Lees de beweringen en kies slimme zoektermen

Onderstreep: namen, plaatsen, tijdsaanduidingen, internationale woorden, cijfers en percentages. Die vind je terug in de tekst.

3

Zoek per bewering in de tekst

Bewering = een verkorte samenvatting → de tekst geeft de details. Zoek met je zoekterm! Vergelijk daarna elk detail van de bewering met de tekst.

4

Geen zoekterm? Zoek op het woord dat je herkent

Bij signaalwoorden staan vaak de antwoorden! Voorbeeld: een bewering zegt "in het buitenland" → de tekst noemt de afzonderlijke landen bij naam.

Let op absolute woorden: altijd, nooit, alles, iedereen. Die zijn in de tekst zelden letterlijk zo sterk, die beweringen zijn vaker onjuist.

Stappenplan literaire tekst

Personages · gevoelens · psychologische nuances

1

Oriënteer jezelf via de stellingen

Lees alle stellingen eerst. Stel jezelf: Wie zijn de personen? Wat doen ze? Waar zijn ze? Hoe voelen ze zich? De stellingen geven je al veel informatie.

2

Onderstreep in de stellingen

Visuele kenmerken, kernbegrippen en absolute woorden (altijd, nooit, volledig). Let op: absolute woorden zijn in literaire teksten vaak fout!

3

Lees en match : kernwoord voor kernwoord

Neem kernwoord van stelling 1 → lees de tekst tot je het tegenkomt → match. Dan stelling 2, enzovoort. Vraag jezelf altijd: Wie? Wat? Waarom?

In literaire teksten staan gevoelens en intenties vaak impliciet. Wat zegt het personage letterlijk? En wat bedoelt het eigenlijk? Dialogen bevatten verborgen spanning: let op aarzelingen en korte antwoorden.

In een literaire tekst draait het vaak om relaties, gevoelens en impliciete spanningen, niet om feiten.

Invulvragen & Zinsverbanden

Benoem eerst het verband, dan pas het woord kiezen!

Aanpak in 3 stappen: (1) Lees de zin vóór de lege plek. (2) Lees de zin de lege plek. (3) Benoem het verband in je hoofd, dan pas kies je het woord.

Type verband Wat volgt er? Woorden om te kiezen
Opsomming / Voorbeeld Zin na = voorbeeld of verduidelijking van zin voor
Ainsi Par exemple Notamment En effet
Tegenstelling Zin na = tegenstelling, nuancering of correctie
Mais Pourtant Cependant Toutefois Or
Conclusie / Samenvatting Er stond een opsomming, nu volgt de conclusie
Bref Ainsi En somme Donc
Gevolg / Oorzaak Zin na = logisch gevolg of oorzaak van zin voor
Et alors C'est pourquoi Donc Car

Klassieke val: "Néanmoins" klinkt altijd logisch, maar kies het alleen als er écht een tegenstelling staat. Controleer de zin NA de lege plek, niet alleen de zin ervoor.

Ironie herkennen

Positieve toon in een negatieve context: let goed op!

Typische plek

Ironie verschijnt vaak aan het einde van een tekst of alinea, als "uitsmijter" van de auteur.

Positieve toon, negatieve bedoeling

Positieve woorden in een negatieve context, spottend. Voorbeeld: "Je hebt alleen maar onvoldoendes? Fijn gedaan, echt!" De lof is niet gemeend.

Onderwerp erbij gesleept

Wordt er iets genoemd dat totaal niets met het onderwerp te maken heeft? Dat is een teken van ironie of humor. De auteur maakt een grap met een incongruent voorbeeld.

Woordspeling

Let op woorden met een dubbele betekenis: de auteur speelt bewust met de taal. Voorbeeld: "dos d'âne" (verkeersdrempel), "alleen ezels vinden dat geen probleem."

Bij toonvragen: extreme toonwoorden (boos, enthousiast, verontwaardigd) zijn vaker fout, tenzij de tekst duidelijk heel sterk emotioneel is. De toon is meestal een nuance: licht ironisch, licht geamuseerd, realistisch, voorzichtig. Kleine woordkeuzes vertellen het verhaal.

Open vragen

Altijd in het Nederlands · Bondig & precies antwoorden

  • Open vragen zijn altijd in het Nederlands. Je hoeft de tekst alleen te herkennen en te begrijpen, niet te vertalen.

  • Wordt er een opsomming gevraagd? Bij opsommingen zie je vaak verbindingswoorden zoals « et », maar ook komma's of meerdere elementen na elkaar.

  • Antwoord precies op wat gevraagd wordt. Te veel schrijven helpt niet: één fout element kan punten kosten. Schrijf bondig.

  • Citeer nooit de hele zin uit de tekst tenzij dat expliciet gevraagd wordt. Formuleer in eigen woorden, tenzij het een citeervraag is.

  • Weet je het antwoord niet zeker? Schrijf toch iets. Een leeg antwoord levert altijd 0 punten. Soms geef je half bewust het goede antwoord.

  • Spelfouten in het Nederlands leveren meestal geen puntenaftrek op, zolang je antwoord duidelijk blijft.

Oefen verder op GrammaLab

Oefen verder met signaalwoorden, examenwoorden en leesvaardigheid.